Nieuw werk van Beatrijs van Rheeden
Verschenen in Art&Perception Technical, jan 2007
Het eerste wat mij opvalt in het nieuwe werk van Beatrijs van Rheeden is het gebruik van kleur.
In een aantal stukken kleurde ze het porselein door en door met een cobaltblauwe oxide.
In haar vroegere werk was zij zeer terughoudend met haar kleurgebruik. Ze bracht kleine streepjes aan in de ribben tussen de wanden als accent soms groen soms blauw maar altijd heel minimaal zodat alleen de aandachtige kijker beloond werd op een extra dimensie. Of soms alleen op de bovenste rand van een heel dun opgebouwde wand ook blauw of, heel zelden, geel.
Deze accenten zorgden soms voor een benadrukking van een beweging of brachten in hun wijze van opbrengen zelf een beweging aan in het object
Ook nu maakt ze nog op deze subtiele manier gebruik van kleur maar ook de wat rigoureuzere aanpak wordt dit keer niet geschuwd.
Het resultaat hiervan is dat de stukken robuuster ogen, het fragiele en haast transparante van het witte werk lijkt minder een rol te spelen.
In de vroegere porseleinen stukken koos zij er soms voor om ze op een staander te presenteren of aan de wand te hangen. Het waren dan een soort schaalvormen die niet op zichzelf konden staan. Dat wil zeggen ze hadden een steun of een wand nodig om ten volle tot hun recht te komen.
In haar nieuwe werk lijkt het alsof de kokers waarin de rastervormige constructies zijn verwerkt een manier zijn om het werk op een nieuwe manier te presenteren.
In mijn artikel van dec. 2000 in CA&P noemde ik haar vazen die zij tijdens haar studie aan Academie Minerva maakte. Dit waren vazen die ze opbouwde door wanden te maken van heel dun uitgeknepen klei. Dezelfde techniek waarin ze nu haar objecten maakt. Door de combinatie van kokervormen met de rastervormige constructies ontstaat er een heel nieuw beeld dat de indruk wekt van een fusie van dit hele vroege werk met haar laatste ontwikkeling.
Het vorige werk leek altijd een deel van een bol te zijn of was in zijn vormbehandeling heel organisch. In haar nieuwe stukken werkt ze een vierkant segment van een bol uit tot een containervorm met een kubusvorm ook hier krijg ik een associatie met vroeger werk.
Haar objecten van steengoed die ze voor 1999 maakte waren zeer streng geometrisch van vorm en het lijkt alsof ze op zoek is naar een kader waarin het werk gepresenteerd kan worden. Zoals ze ook een ruitvormig kader aanbracht rond de installatie die zij onder andere liet zien tijdens een expositie in Vichte (B).
In het stuk Raam III uit 2005 heeft ze dit kader geïntegreerd in de vorm. Het wordt op deze manier een soort ingang naar een andere wereld. Ik krijg de associatie met kijkraam, kijkbuis, televisie.
De associatie met doorsnedes van schelpen of met koraal verdwijnt wat meer naar de achtergrond en er ontstaat een andere wereld. Door de benaming Raam of Fusion stuurt ze deze associatie ook, meer dan dat ze dat in het verleden deed. In het verleden waren benamingen als: “licht” en “tweetal” bijvoorbeeld minder sturend in een gedachtegang .
Door de objecten een naam als Fusion te geven en het werk ook een vorm te geven die de associatie oproept met een kernreactor geeft mij als kijker een duidelijke duw in welke richting ik kan denken.
Veel meer dan in het vroegere werk dat in zijn vorm en benaming veel contemplatiever leek.
Met benamingen als:”licht”en “schemering”of “samenstelling” kan ik als kijker meer kanten op dan met de “benaming ”Fusion” bij een stuk dat de vorm heeft van een kernreactor. De benaming fusion is hoewel ook multi-interpretabel in dit geval wel bedoeld als verwijzing naar het begrip versmelting. In dit geval de versmelting van de “twee werelden”, zoals Beatrijs dat noemt .In dit geval de gesloten en de open vorm.
Het nieuwe werk lijk op zijn kant te liggen. De buitenste rand is uitgewerkt tot een vrijstaande wand waarop het object rust. De”bodem” is eigenlijk het deel waar het meest gebeurt hier zitten de wandjes met de ribben ertussen en door de manier van presenteren lijkt dit de ingang van de vorm. Soms benadrukt door de spiralende beweging. Echter als je dit deel beschouwd als de bodem is het dus het eind van de vorm als je door de kokerzijde naar binnen kijkt.
In haar laatste stukken “Blauw III”en “Blauw IV” is een aanzet te zien naar een nieuwe ontwikkeling. De ribben worden staafjes die vrij staan en de wanden worden als volledig vrijstaande stroken aan de buitenkant van de vorm gemonteerd. De benaming “Blauw” biedt weer alle ruimte voor associaties en die voeren mij dan al snel weer naar kokerkoraal en papier. Met de fusie die Beatrijs tot stand heeft gebracht tussen haar oude en nieuwe werk laat ze zien dat er telkens weer een nieuw raam is te openen met uitzicht op nieuwe mogelijkheden.
Terug
|