Beatrijs van Rheeden’s monumental porcelain / by Gertjan van der Stelt
In: Ceramics : art and perception
Issue no. 42 (december 2000), p. 17-19

Het eerste wat opvalt wanneer ik het meest recente werk van Beatrijs van Rheeden zie is de keuze voor het porselein als materiaal.

Vanaf haar afstuderen werkte zij in klei die op steengoedtemperatuur werd gebakken en gekleurd met engobes of glazuur. Soms bleven delen van de gebakken klei verder onbehandeld. Het werk dat zij in die tijd maakte was opgebouwd uit platen klei en bestond uit identieke elementen die op verschillende manieren samengevoegd telkens een ander beeld opleverden. Soms waren deze elementen identiek soms verschillend, ze waren gekleurd met zoutglazuren hetgeen het werk een aards karakter gaf.

Het werk had een monumentaal karakter en was duidelijk geïnspireerd door architectuur. Veel van dit werk ontstond in Hongarije waar zij een opleiding volgde aan de Academie van Toegepaste Kunsten te Budapest. De objecten die daarna ontstonden waren een combinatie van torens en trappen. Het eerste werk uit deze periode oogt vrij streng mede door de symmetrie en de hoekige vormen. Doordat het werk bestaat uit grote volumes en lange lijnen en richtingen heeft het een zeer monumentale uitstraling. In de periode voorafgaand aan dit nieuwe werk bezocht zij Indonesië hetgeen een inspiratiebron bleek te zijn voor haar werk.

Tijdens haar reis door Indonesië was zij met name onder de indruk van de oude tempels aldaar. Vandaar ook de naam candi (candi = tempel) In een vervolg op dit werk liet Beatrijs meer kleur toe in haar werk en werd het karakter van het werk minder streng, ook doordat zij met gebogen vlakken ging werken. Uit deze serie volgde bijna organisch de serie “Tekens”.

De combinatie van toren en trappen liet ze los en de gebogen lijnen gingen een eigen spel spelen. Het werk werd steeds speelser en de klei bleef steeds meer als materiaal zichtbaar. In deze periode ging ze ook meer experimenteren met verschillende manieren van kleur opbrengen. Bij sommige van de objecten is de engobe op de plaat klei gestrooid voordat het werk in elkaar werd gezet

In 1997 liet ze de plaattechniek los en ging ze vormen opbouwen. Dit had een nogal pragmatische reden. De plaattechniek gaf nogal veel uitval, het werk scheurde of sprong uit elkaar. Dit soort van technische problemen zijn aanzienlijk minder bij het opbouwen met de hand. Bij de vormen die ze ging maken experimenteerde ze eveneens met opbrengtechnieken voor de engobes. Soms werd de engobe opgebracht door kwasten dan weer door inwassen. De relatie met architectuur bleef bestaan.

Tijdens een symposium in 1997 In Hongarije maakte ze kennis met het werken in porselein. Veel van de daar aanwezige keramisten werkten met dit materiaal. Er was dus veel expertise aanwezig. Ook de voorzieningen waren uitstekend zodat ze een gedegen basis kreeg voor deze techniek. Beatrijs zette de techniek naar haar eigen hand en ging proeven maken met uit de hand opgebouwde porselein. Dit waren de eerste aanzetten voor het nieuwe werk.

Eénmaal terug in Nederland ging ze echter eerst nog verder met de Kunkors ( Kunkor = Hongaars voor kronkel). Deze waren een logisch vervolg op de “tekens”. De “tekens” waren objecten die werden “geschreven” in de ruimte. In eerste instantie vanuit het platte vlak, opgebouwd uit platen op een vlakke ondergrond en vervolgens overeind gezet. Later werd de ondergrond een deel van een bol met als gevolg dat de vormen steeds driedimensionale werden. Toen ze de plaattechniek losliet en niet meer was gebonden aan een al dan niet vlakke ondergrond waren de vormen die toen ontstonden een voortzetting van deze ontwikkeling. Zij ging objecten maken die afgeleid waren zijn van pilaren en architectonische ornamenten. Delen van buizen lijken het wel die als slangen spiralen, en in elkaar draaien soms doorsneden waarbij de snijvlakken een kleuraccent kregen en soms de grootste rol speelden in het beeld.

Maar in 1999 gaat ze in porselein werken en krijgt haar werk en hele andere uitstraling. Het aardse van de klei is weg en ook de geslotenheid. Want ondanks de speelse vorm die het werk steeds meer ging krijgen bleven de objecten die uit klei waren vervaardigd door de robuustheid ook iets geslotens houden. Dit blijkt heel duidelijk wanneer je het oude en het nieuwe werk naast elkaar ziet. Doordat het nieuwe werk is opgebouwd uit flinterdunne plakjes porselein ziet het er heel teer en open uit naast de met zoutglazuur gekleurde stapelingen of de candi’s bijvoorbeeld. Dit wordt nog benadrukt door het bijna transparante wit van het ongekleurde porselein. De objecten doen denken aan doorsneden van schelpen, bijvoorbeeld de nautilusschelp of aan structuren van architectuur bijvoorbeeld het colosseum in Rome. Sommige lijken op fossielen andere weer op delen van grotere structuren. Ook klinken er echo’s in door van het werk van van Schoonhoven. Het werk kan worden neergezet of aan de muur gehangen.

De nieuwe objecten zijn opgebouwd uit dunne stroken porselein die golvend, dan weer krullend of spiralend met elkaar verbonden zijn door middel van tussenschotjes. Ook nu kiest ze weer voor de opbouwtechniek door middel van plaatjes op een vlakke ondergrond waarna het werk overeind gezet wordt. In vergelijking met het oudere werk zijn de porseleinen objecten niet streng geometrisch en strak maar veel sensitiever van karakter. Het werk oogt kwetsbaar en is dat in feite natuurlijk ook. Immers porselein op deze manier verwerkt vraagt wel een meer voorzichtige behandeling dan de objecten van klei. Het hele gecontroleerde van de vorm heeft Beatrijs hier losgelaten en verruild voor een meer organische benadering van de vorm. Het lijkt of zij zich meer heeft laten leiden door de vorm en het materiaal. De kleiobjecten zijn mijns inziens meer een neerslag van het opleggen van haar wil aan het materiaal en een uiting van het beheersen van de vorm. Ook door het summiere gebruik van kleur, accenten van kobaltblauw of ijzeroxide krijgen de vormen iets “natuurlijks”.

Wat ik heel interessant vind is dat ze in dit nieuwste werk lijkt terug te grijpen op een werkwijze die ze enige tijd hanteerde tijdens haar studie aan de kunstacademie van Groningen. In die tijd maakte ze grote vaasobjecten die ze heel dun opkneedde uit dunne plakjes klei. Na de architectonische vormen en het speelsere werk is ze voor mijn gevoel nu weer terug bij dit begin en laat ze zien wat de reis heeft opgeleverd. Het lijkt of ze in het nieuwe werk probeert door de dringen tot de essentie van datgene waarmee ze vanaf het begin is bezig geweest namelijk monumentaliteit. Het open karakter van de recente objecten lijkt een uitdrukking van de onderliggende structuur van haar vroegere werk.

Spannend is het dat door het gebruik van porselein een soort vergeestelijking van de vorm optreed. Porselein heeft voor mij door de witte transparantie, zeker wanneer het uit de gasoven komt, een soort van onstoffelijkheid die ik associeer met vergeestelijking. Afgezet tegen het aardse en robuuste karakter van het vroegere werk lijkt me dat de keuze van het materiaal en de vorm nog zeer veel interessant werk op kan leveren.

Terug